EXPOSITIES

WAAR WEZEN WAREN

In 1628 werd door de stad Goes in dit gebouw het weeshuis gesticht. De wezenzorg was tot dan toe heel slecht geregeld. Wezen werden bij de meestbiedende in huis geplaatst en moesten hard werken om hun koopsom en de kost te verdienen. 

Maar ook in het weeshuis misten de wezen liefde en warmte. Toch was het een hele verbetering. Wezen kregen les op de armenschool tot ze veertien jaar waren. Dan moesten ze een vak gaan leren. Voor meisjes was dat eenvoudig; ze werden als dienstmeisje in een gezin geplaatst. Op school hadden ze al veel nuttige handwerkenzoals breien, haken, stoppen en verstellen geleerd. En door mee te werken in het weeshuis konden ze ook eten koken en schoonmaken.

De jongens werden bij een baas in de leer gedaan: een timmerman, kleermaker, smid of waar maar een plaats beschikbaar was om een vak te leren. Een andere mogelijkheid was dat de jongens aanmonsterden en gingen varen, of dienst namen in het leger. In elk geval vetrokken ze uit het weeshuis als ze 18 werden en kregen dan vaak een getuigschrift en een klein spaarbankboekje mee.

WEESHUIS

Echt gezellig was het niet in het weeshuis. Het gebouw was Spartaans ingericht; kale slaapzolders en een kale eetzaal. Voor de kachel stonden banken, waar de kinderen in de winter op konden zitten om zich wat te warmen.

Toen de commissaris van de koningin in 1819 onverwachts op bezoek kwam en het weeshuis inspecteerde, was hij zeer ontstemd over de verwarde staat en de onzindelijkheid die hij aantrof. Daar schrok het stadsbestuur wel van en er werden maatregelen genomen om het weeshuis te verbeteren. Maar echt gezellig werd het nooit. Het weeshuis was voor alle gezindten toegankelijk.

Zowel hervormden als katholieken konden erin opgenomen worden. Op zondag werd erop gelet dat de kinderen op het juiste tijdstip naar hun eigen kerk gingen.

Pas 100 jaar later, in 1923, werd voor het eerst een "gezelschapskamer", een soort huiskamer, ingericht. Dan kon ook, omdat het aantal wezen steeds verder afnam. Woonden er in 1850 meer dan 90 wezen, in 1900 waren het er veertig en bij het begin van de Tweede Wereldoorlog waren het er nog maar 8. Dat aantal wezen was te laag om het weeshuis open te houden en werd vervolgens gesloten.